
Het eerste LAP - officieel het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012 - beschrijft het afvalbeheer voor de periode 2002-2006 en blikt vooruit op (mogelijke) ontwikkelingen in het afvalbeheer in de periode 2002-2012. Het LAP bevat een beleidskader (deel 1 van het LAP), sectorplannen (deel 2), capaciteitsplannen (deel 3) en bijlagen.
Het afvalstoffenbeleid van de overheid is in de eerste plaats gericht op preventie: voorkomen dat afval ontstaat. Daarnaast streeft de overheid zoveel mogelijk naar hergebruik en nuttige toepassing van afvalstoffen. Pas als dit niet mogelijk is, mag afval worden verbrand of gestort. Want verbranden en storten zijn het slechtst voor het milieu. Dat zijn in het kort de uitgangspunten van het afvalstoffenbeleid voor de komende jaren.
Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) bestaat uit drie delen, namelijk een beleidskader, sectorplannen en capaciteitsplannen.
Beleidskader
Het beleidskader bevat de hoofdlijnen van het afvalbeleid. Het betreft bijvoorbeeld de landelijke doelstellingen voor gescheiden inzameling en algemene uitgangspunten voor instrumenten als vergunningverlening en handhaving. Ook beschrijft het beleidskader internationale aspecten en de opstelling van Nederland in afvaldiscussies op internationaal niveau.
Sectorplannen
De sectorplannen bevatten de uitwerking van het beleidskader voor specifieke (categorieën van) afvalstoffen. Elk sectorplan beschrijft het beleid voor de betreffende afvalstof, aspecten van vergunningverlening, specifieke aandachtspunten van in- en uitvoer, en de monitoring van het sectorplan. In totaal bevat het LAP 34 sectorplannen.
Capaciteitsplannen
In de capaciteitsplannen staat de capaciteitsplanning voor verbranden en storten van afval. Beide verwerkingsmethoden worden samen aangeduid als ’verwijdering’. Verbranden en storten zijn de laatste schakels van de afvalbeheerketen. De capaciteit voor verbranden en storten moet voldoende zijn om de hoeveelheid te verwijderen afval op te kunnen vangen, maar mag niet te groot zijn om onnodige kosten en een aanzuigende werking op afval dat nuttig wordt of kan worden toegepast, te vermijden. Gezien de tegenstrijdige belangen en de verantwoordelijkheid van de overheid voor het beschikbaar zijn van voldoende verwijderingscapaciteit is het plannen van de capaciteit een nutsfunctie.